Tekst
| "Ze waren niet te tellen, deze apen-een kwaadaardig bavianenras. Ik was de tel tenminste kwijt. Ze deden met me wat ze wilden. Slingerden me van hand tot hand naar elkaar over, steeds hoger in de boomkruinen, boven de ruïnes van Ayuthia en Angkor. Mijn zwakke protesten werden luide overstemd door hun kwaadaardig en eentonig gelach dat opgewonden en nonchalant tegelijk klonk. Die enge apen, die ik nog kende uit Junglebook, waren allemaal klonen van mij, maar ze verstonden mijn taal niet, waren niet in mijn plannen geïnteresseerd en wisten mijn individualiteit uit te wissen door mij inwisselbaar met elk van hen te maken. Sterker dan ik waren ze wel. Ik was een speelbal in hun viervoudige han- den. Als aangeklede aap was ik degene die belachelijk was; met boeken en pijp, bretels en slobkousen wilde ik nog Herr Studien- rat blijven spelen, terwijl zij mij allang ontmaskerd hadden als de grote na-aper en mijn mimesis belachelijk maakten." Geerten Meijsing - Tussen mes en keel |
| terug |
| verder |